Oleh : Meilanto
Di Belinyu, Buddingh telah berkunjung ke pasar, Tanjung Mantung, tambang timah, menemui butuh tambang yang telah memeluk Agama Katholik hingga akhirnya ia harus meneruskan perjalanan ke Sungailiat. Simak tulisannya pada halaman 51-54 yang dikutip pada bukunya NEERLANDS OOST-INDIE REIZEN GEDAAN GEDURENDE HET TIJDYAK VAN 1852-1857.
In den namiddag bezocht ik ecnigen der 19 Chinezen, welke in het distrikt Blienjoc tot het Katholicisme bekeerd zijn, (doch over wie, even als over de lloomseh-Katholijke Chinezen te Soengi-sla n en Pankal-piuang , later nog zal gesproken worden); en tegen den avond ging ik met mijn’ gastheer naar den smeltoven eener in Loemoet gelegen parit, alwaar men juist met het smelten van het tin bezig was. Ten 7 ure reden we derwaarts, vergezeld door een paar inlanders, die met brandende fakkels vooruitliepen. Het smelten geschiedt namelijk altijd des nachts, van 6 uren des avonds tot 8 uren in den morgen, dewijl de hitte der ovens over dag te groot is. Ten half S ure waren we in het smelthuis, en zagen er den belangrijken arbeid, dien ik echter straks eerst nader beschrijven zal, waar ik tevens over de tin-mijnen een en ander mededeel.
Den volgenden morgen vertrok ik naar Soengi-liat, de pankal van het distrikt van dien naam, welke op 37 palen of ruim 12 uren afstands van Blienjoe gelegen is. De heer VON FABER zou mij een eind weegs vergezellen, om mij een der belangrijkste tinmijneu in zijn distrikt en van het gansche eiland te laten zien. Beiden stegen we te paard en passeerden, na 3 palen rijdens, de kampong Pandjie , alwaar het oudste, in 1740 gestichte, Chinesche Tin-établissement (evenals dat, hetwelk nog in 1820 te Kotta-Wringie n bestond,) sedert eenige jaren is ingetrokken. Daarop passeerden we de kampongs en parit’s Djeramba , Senèn en Pirang, aan den.voet der bergen Mapor en Besâr, bereikten weldra Reding-Panjang, en kwamen vervolgens bij de grootste tinmijn van Banka, namelijk de mijn Lakfoentiouw (of Lapfantouw), welke op 3 uren afstands van de pankal—Blienjoe gelegen is.
De mijn bevindt zich aan weerszijde van den weg, en we traden dadelijk in het Kongsi-huis, alwaar ons het Chinesche Mijn-hoofd, of de president der Hoei of der kongsi, (d.i. der kompagnieschap voor de ontginning eener tinmijn), benevens een paar houders van Hoen of van aandeelen in de mijn, zoomede de schrijver en de beide Tjintjing’s (d. i. de met de kas en de administratie belaste personen), vriendelijk ontvingen, en ons thee en gebak en manisan (ingelegde of geconfijte vrachtjes) presenteerden. Het Kongsi-huis van Lakfoentiouw is een groot en in eenige vertrekken afgedeeld lokaal van planken, hetwelk naar Chinéschen trant, zoodanig gebouwd is, dat, er in het midden een vierkant open terrein of binnenplaats van on-geveer 30 voeten lengte en even zooveel voeten breedte is overgebleven. In het ruime hoofd vertrek stond een lange en smalle tafel, zoo als de Chinezen ze gewoonlijk hebben, en eenige Chinesche stoelen met planken zittingen, gedeeltelijk tabouretten en gedeeltelijk met hooge leuningen, alles met glan-zige tjetto (een soort van Chinesche verlak-verw) bruin gemaakt.
Selanjutnya ia menulis lagi:
Aan den zolder hingen eenige lolling’s of gekleurd-papieren lantarens, en op eenige plaatsen bij de deuren en aan de wanden waren brecde strooken rood papier geplakt, waarop Chinesche spreuken met Chinesche karakters geschreven waren. Uit het hoofdgebouw gingen we een paar belendende lange houten loodsen door, die in talrijke kleine vertrekken afgedeeld en tot logies voor eenige Chinesche mijn-werkers bestemd waren.
Die vertrekjes zagen er armoedig en onzindelijk uit, en het laatste of verst-verwijderde vertrekje paalde aan een klein open terrein, hetwelk begrensd werd door een smal stroompje, waarbij een Teipekkong of Chineesch huis-altaar stond. Deze Teipekkong was een zeer klein gebouwtje van planken, van p.m. 6 voet hoogte en p. m. 4 voet breedte, en aan de voorzijde treheel open evenals een kerinis-kraam. In de binnenruimte zag men boven een tafeltje tegen den wand het bekende op papier geschilderde portret van Djoesie of JOOSJE met zijn’ langen knevel en hoog-opstaande wenkbraauwen en opgeheven slagzwaard, en op het tafeltje stonden eenige tiguren en poppen van goudpapier, en lag een hoopje Chineesch oflerpapier naast een paar waskaarsen en eenige bundeltjes wyrook-stokjes. (1) Van daar bragt ons het Mijn-hoofd met zekeren trots naar de varkens-hokken (kandang-babi) der Kongsi, die aan de overzijde van het, stroompje in een lange rij en digt aan den oever gelegen waren, liet gansche hok of blok van hokken was een ongeveer 7 voet hooge en misschien 7 0 à 80 voet lange loods, met atap gedekt en aan de ééue zijde of de voorzijde open, en voorts in verschei-dene hokken van ongeveer 5 à 8 of 9 voet in omvang afgedeeld.
In elke afdeeling of in elk hok waren 2 à 3 babi’s of varkeus, die reeds groot en vet waren, en soins fi à 7 biggen te gelijk bij elkander, en in het geheel waren er ongeveer 70 à 80 varkens in de verschillende hokken vereenigd. Men kan zich geen denkbeeld maken van de onberispelijke reinheid eu zin-delijkheid der hokken, en van de zuiverheid der anders zoo vuile babi’s! De planken bevloering zag er uit, als of ze elk oogenblik geschrobt en geschuurd werd, en de huid en borstels der knorrende familie waren zoo blank als sneeuw! De heer VON FABER ziide mij, dat, de varkens en varkens-hokken van alle tinmijuen op Bank a er evenzoo overdreven-rein en zindelijk uitzien, en hiervan heb ik mij ook inderdaad in een paar andere mijnen, die ik later ter loops bezocht, kunnen over-tuigen. Een der Chinezen is uitsluitend met de verzorging der var-kens belast, en men beweert, dal hef vlecsch der varkens bij de parit’s op Bank a het smakelijkste varkens-vleesch ter wereld is.
(1) Naar men dikwijls hoort, stelt ile Djoesic den kwaden God van liet Chinesche Dualistisch e Godsdienststelsel voor, en zouden de Chinezen alleen dien kwaden God offeren, bewerende dat de goede God Thi the altijd ten goede der menschen gezind is, en dus niet door offerande behoeft bevredigd of ten gunste gestemd te worden. De kwade God alleen wordt gehuldigd, opdat hij geen kwaad moge doen! — Ik geef dit echter voor een “on dit,” en kan niet verzekeren of het is zoo als de menschen zeggen.
Maksudnya:
Pada siang hari, saya mengunjungi beberapa dari 19 orang Tionghoa yang telah masuk agama Katolik di distrik Blienjoe (tentang mereka—serta umat Katolik Tionghoa di Soengi-slan dan Pankal-pinang—akan saya bahas lebih lanjut nanti). Menjelang malam, saya bersama tuan rumah pergi ke tungku peleburan di salah satu lubang tambang di Loemoet, yang saat itu sedang sibuk melebur timah. Kami berangkat pukul tujuh malam, didampingi beberapa penduduk setempat yang berjalan di depan membawa obor menyala. Peleburan memang selalu dilakukan pada malam hari, pukul enam sore hingga delapan pagi, karena panas tungku terlalu menyengat jika dilakukan siang hari. Setengah jam kemudian kami tiba di ruang peleburan dan menyaksikan pekerjaan yang sangat menarik itu—hal ini akan saya jelaskan lebih rinci nanti, saat saya menguraikan berbagai hal tentang tambang timah.
Keesokan paginya, saya berangkat menuju Soengi-liat, pusat pemerintahan distrik yang sama namanya, berjarak 37 pal atau lebih dari 12 jam perjalanan dari Blienjoe. Bapak VON FABER akan menemani saya sebagian jalan, untuk memperlihatkan salah satu tambang timah paling penting di distriknya bahkan di seluruh pulau. Kami berdua menunggang kuda; setelah berkuda sejauh 3 pal, kami melewati kampung Pandjie (maksudnya Kampung Panji)—di tempat ini bekas perusahaan tambang timah Tionghoa tertua, yang didirikan tahun 1740 (seperti yang dulunya ada di Kotta-Wringien / Kota Waringin hingga tahun 1820), telah berhenti beroperasi beberapa tahun lalu. Selanjutnya kami melewati kampung dan lubang tambang Djeramba, Senèn, dan Pirang di kaki pegunungan Mapor dan Besâr, lalu tiba di Reding-Panjang (Riding Panjang), dan akhirnya sampai di tambang timah terbesar di Bangka, yaitu tambang Lakfoentiouw (Lapfantouw), yang berjarak tiga jam perjalanan dari pusat Blienjoe.
Tambang ini terbentang di kedua sisi jalan, dan kami langsung masuk ke Rumah Kongsi. Di sana, Kepala Tambang Tionghoa atau ketua perkumpulan Hoei—yaitu persekutuan pengelola tambang—bersama beberapa pemegang saham, juru tulis, dan dua orang Tjintjing (yang bertugas mengurus keuangan dan administrasi) menyambut kami dengan ramah, serta menyuguhkan teh, kue, dan manisan.
Rumah Kongsi Lakfoentiouw adalah bangunan papan besar yang terbagi menjadi beberapa ruangan, dibangun dengan gaya Tionghoa: di tengahnya disisakan halaman terbuka berbentuk persegi berukuran sekitar 30 kaki, panjang dan lebarnya sama. Di ruang utama yang luas terdapat meja panjang sempit seperti yang biasa dipakai orang Tionghoa, serta beberapa kursi dengan alas papan—sebagian berupa bangku kecil, sebagian lagi bersandaran tinggi—semuanya dicat cokelat dengan pernis mengkilap jenis tjetto khas Tiongkok.
Di langit-langit tergantung beberapa lampion kertas berwarna-warni, dan di beberapa tempat di dekat pintu serta pada dinding ditempel lembaran kertas merah lebar bertuliskan pepatah Tionghoa dengan aksara Tiongkok. Dari bangunan utama, kami melintasi beberapa gubuk kayu panjang yang bersebelahan, terbagi menjadi banyak ruangan kecil sebagai tempat tinggal para pekerja tambang Tionghoa (Rumah Kepong, pen).
Kamar-kamar itu tampak sederhana dan kurang terawat, dan ruangan paling ujung berbatasan dengan sebidang tanah terbuka kecil yang dipisahkan oleh aliran sungai sempit. Di tepi sungai itu berdiri sebuah Teipekkong atau tempat pemujaan pribadi. Bangunan ini sangat kecil, terbuat dari papan, tingginya sekitar 6 kaki dan lebarnya 4 kaki, bagian depannya terbuka persis seperti etalase warung. Di bagian dalamnya, tergantung di dinding di atas meja kecil lukisan tokoh Djoesie atau Joosje yang terkenal—berkumis panjang, alis terangkat tinggi, dan memegang pedang terhunus. Di atas meja tersusun patung-patung kecil dari kertas emas, tumpukan kertas sembahyang, serta sepasang lilin dan beberapa ikat dupa.
Dari sana, Kepala Tambang mengajak kami dengan bangga melihat kandang babi milik Kongsi, yang terletak di seberang sungai berjejer rapat di tepian air. Seluruh bangunan kandang itu berupa gubuk panjang sekitar 7 kaki tinggi dan 70–80 kaki lebar, beratap daun, bagian depannya terbuka, dan terbagi menjadi sekat-sekat berukuran 5–9 kaki.
Di setiap sekat dipelihara 2–3 ekor babi besar yang gemuk, terkadang disertai 5–7 ekor anak babi; keseluruhan terdapat sekitar 70–80 ekor babi di sana. Mustahil membayangkan betapa bersih dan rapinya kandang-kandang itu, serta betapa bersihnya babi yang biasanya dianggap kotor! Lantai papannya tampak seolah baru saja disikat dan dilap, sedangkan bulu dan kulit babi-babi itu putih bersih bagaikan salju!
Bapak VON FABER bercerita bahwa kandang dan babi di seluruh tambang timah di Bangka senantiasa dijaga kebersihannya secara luar biasa—hal ini pun saya buktikan sendiri saat berkunjung ke beberapa tambang lain kemudian. Satu orang pekerja khusus ditugaskan merawat babi ini, dan kabarnya daging babi dari tambang-tambang di Bangka adalah yang paling lezat sedunia.
Catatan kaki: Berdasarkan apa yang sering saya dengar, tokoh Djoesie itu melambangkan dewa jahat dalam sistem kepercayaan dualisme Tionghoa; konon orang Tionghoa hanya mempersembahkan sesajen kepada dewa jahat ini, dengan alasan bahwa Dewa Baik atau Thi-the senantiasa berkehendak baik bagi manusia sehingga tidak perlu ditenangkan atau dipengaruhi dengan persembahan. Hanya dewa jahatlah yang dihormati dan dipersembahkan sesajen, supaya ia tidak mendatangkan malapetaka! — Namun saya sampaikan ini sekadar sebagai “kabar yang beredar”, dan tidak dapat menjamin kebenarannya sepenuhnya. (BP / KM)*
Foto : Varkensstal te Pangkalpinang; anonymous, 1914 – 1919. Albumblad met 2 foto’s van de varkensstal bij Mijn 24 van de mijnbouwonderneming te Pangkalpinang.
Sumber : Rijksmuseum.nl. Pewarnaan AI
Catatan : Tulisan ini dikutip dari buku NEERLANDS OOST-INDIE REIZEN GEDAAN GEDURENDE HET TIJDYAK VAN 1852-1857 bagian kedua edisi ketiga yang diterbitkan tahun 1867. Buku setebal 496 ini ditulis oleh Dr. S. A. Buddingh.
Buddingh bernama lengkap Steven Adriaan Buddingh (1811-1884) seorang penulis dan pendeta Belanda abad ke-19 yang terkenal karena karya sejarah dan catatannya tentang Nusantara.












